Plasklachten

Algemene informatie over plasklachten
Zowel bij mannen als bij vrouwen kunnen plasklachten optreden. Plasklachten komen veel voor. Zo krijgt 30% van de mannen boven de 50 jaar last van plasklachten. Veelvoorkomende klachten zijn:

  • De urinestraal wordt minder krachtig en soms druppelt het maar wat
  • Het duurt even voordat de eerste plas komt
  • Kort achter elkaar weer moeten plassen en weinig urine per plas
  • Nadruppelen, ook nog wel eens een paar druppels in uw broek
  • Het gevoel hebben dat de blaas niet leeg wordt (residugevoel)
  • Soms een branderig gevoel tijdens het plassen
  • Moeilijk de plas op kunnen houden, soms zelfs helemaal niet
  • 's Nachts enkele keren uit bed moeten om te plassen

Bij mannen worden plasklachten vaak veroorzaakt door een vergrote prostaat, maar er zijn veel meer oorzaken zoals bijvoorbeeld een slechte blaasfunctie, een overactieve blaasfunctie of een plasbuisvernauwing. Bij vrouwen is een slechte of een overactieve blaasfunctie vaak de oorzaak. Ook speelt de bekkenbodemfunctie een belangrijke rol bij het ontstaan van plasklachten.

Goedaardige prostaatvergroting - BPH
De prostaat of voorstanderklier, afgeleid van het Grieks 'prostateis', 'hij die vooraan staat', is een klier die bij de man onder de urineblaas en boven de sluitspier van de blaas ligt (plaatje prostaatligging). Door deze klier heen loopt de afvoerbuis van de blaas: de plasbuis. Deze voert urine af vanuit de blaas. De prostaat produceert vocht dat samen met vocht uit de zaadblaasjes het sperma vormt. Net achter de blaas en boven de prostaat liggen 2 zaadblaasjes die ook dienen voor opslag van het zaadvocht in afwachting van een zaadlozing. In de prostaat komen ook de zaadleiders vanuit de teelballen uit. Wanneer een man klaarkomt, wordt het zaadvocht samen met zaadcellen vanuit de balzak gevoegd en naar buiten gestuwd. Het zaadvocht dient als bescherming van de zaadcellen als die op zoek gaan naar een eicel. In de prostaat zitten ook bindweefsel en spieren aanwezig om de zaadlozing mogelijk te maken. Tijdens de zaadlozing sluit de spier tussen blaas en prostaat waardoor het sperma niet naar de blaas, maar naar buiten komt. Een normale prostaat is ongeveer 10 tot 15 cc groot. De prostaat ontwikkelt zich bij de man tijdens de puberteit onder invloed van mannelijke hormonen. Ook na de puberteit blijft de prostaat groeien. Doorgaans betreft het een goedaardige vergroting, die wel regelmatig aanleiding kan geven tot klachten met plassen of bij een zaadlozing. Plasklachten als gevolg van een vergrote prostaat kunnen bestaan uit een toegenomen plasdrang, toegenomen frequentie, slappere straal, nadruppelen.

Oorzaken
Met het stijgen van de leeftijd neemt de prostaat toe in grootte. Hierdoor wordt de opening in de plasbuis ter hoogte van de prostaat kleiner, waardoor de weerstand in de prostaat toeneemt en plasklachten ontstaan. De groei van de prostaat vindt bij de meeste mannen plaats, maar leidt niet bij alle mannen tot klachten. Daarnaast kan bij de ouder wordende man de kringspier tussen blaas en prostaat (blaashals) zich vaak minder makkelijk ontspannen waardoor ook plasklachten kunnen optreden.

Symptomen
De klachten kunnen bestaan uit een minder krachtige urinestraal en/of een onderbroken straal, moeite met het op gang komen van het plassen, meer aandrang en vaker moten plassen, nadruppelen, ongewenst urineverlies (incontinentie), 's nachts vaker plassen of een gevoel hebben dat de blaas niet leeg komt. De combinatie van deze klachten wordt ook wel LUTS genoemd (Lower Urinary Tract Symtoms.

Onderzoek
Om uw plasklachten te onderzoeken zal de uroloog vragen naar uw klachten en naar uw algemene gezondheid. Daarnaast krijgt u een vragenlijst met 7 vragen over uw plasklachten en een vraag over het invloed van de plasklachten op uw dagelijkse leven. Er wordt een lichamelijk onderzoek verricht waarbij er naar de prostaat wordt gevoeld via de anus (rectaal toucher). Zo kan de uroloog voelen of er afwijkingen aan de prostaat zijn. Er wordt bloed- en urineonderzoek verricht. Bij het bloedonderzoek wordt met name gekeken naar het kreatinine en het PSA. De kreatininewaarde geeft de nierfunctie weer en de PSA (prostaat specifiek antigeen) is verhoogd bij bepaalde prostaataandoeningen. Het verschil tussen prostaatontsteking, vergroting of kanker kan vrijwel nooit worden bepaald door de hoogte van het PSA alleen. Daarvoor is aanvullend onderzoek nodig. De kracht en de duur van de urinestraal kan worden gemeten met een flowmeter. Tijdens het onderzoek plast u in een speciaal daarvoor bestemd toilet. Een meter die in het toilet is ingebouwd meet de kracht van de straal. Deze meting wordt geregistreerd op grafiekpapier. Het is belangrijk om te weten of u uw blaas helemaal leegplast. Wanneer te veel urine achterblijft kan dit klachten veroorzaken. Via uitwendige echografie kan de hoeveelheid urine worden gemeten, die na het plassen in de blaas is achtergebleven (residu). Dit noemt men echo-residu bepaling. Dit oderzoek geschiedt met ultrageluidsgolven. De frequentie van deze geluidsgolven is zo hoog dat het geluid door mensen niet te horen is. Echografie is een veilig onderzoek en is niet pijnlijk.Met een ECHO-sonde die wordt ingebracht via de anus wordt er een echografie van de prostaat gemaakt. Met een echografie van de prostaat kunnen de grootte en vorm van de prostaat worden bekeken en kunnen afwijkingen van de prostaat worden opgespoord. Soms is het nodig om via de ECHO-sonde met een naald stukjes weefsel uit de prostaat weg te halen (biopten) om prostaatkanker te kunnen uitsluiten. Ook wordt er soms een inwendig blaasonderzoek (cystoscopie) verricht om de plasbuis, de prostaatkwabben en de blaas te kunnen beoordelen. Het onderzoek wordt uitgevoerd met en cystoscoop. Dit is een flexibele dunne holle buis met verlichting en een lens aan het iteinde. Om de functie van de blaas en het afsluitmechanisme te kunnen beoordelen kan het nodig zijn om een urodynamisch onderzoek te doen.

Het is een inwendig onderzoek. Door middel van dunne slangetjes die ingebracht worden via de plasbuis en de endeldarm kunnen metingen verricht worden van de blaasinhoud, de blaasdruk, de afsluiting van de blaas, het eventuele urineverlies, de uitstroomsnelheid van de urine en de spanning in de bekkenbodemspieren. De meetresultaten worden met een computer verwerkt. Het onderzoek duurt ongeveer 1 uur.

Behandeling
Soms is het niet nodig om plasklachten meteen te behandelen. Het komt namelijk regelmatig voor dat de klachten spontaan verbeteren. Als voor een behandeling wordt gekozen is de eerste keus vaak een behandeling met tabletten. Er zijn 2 soorten medicijnen om plasklachten te behandelen. Het eerste soort, de alfa-blokkers, waarvan Tamsulosine en Alfusozine de meest gebruikte zijn, ontspannen de blaashals waardoor de plasklachten verbeteren. Het andere soort medicijn is de 5-alfa reductase remmer waarvan 2 soorten beschikbaar zijn, namelijk Finasteride en Dutasteride. Deze medicijnen verkleinen de prostaat en verbeteren daardoor de plasklachten. Het effect treed minder snel op dan bij alfablokkers. De 2 soorten medicijnen kunnen ook worden gecombineerd om een beter effect te bereiken. Indien medicijnen niet voldoende effect (meer) hebben of teveel bijwerkingen veroorzaken kan gekozen worden voor een invasieve behandeling van de prostaatvergroting. Dat kan met een minimaal invasieve behandeling, zoals de TUMT-behandeling of een operatie.

Een prostaatoperatie kan op 2 manieren worden verricht. Meestal wordt er een operatie via de plasbuis verricht. De uroloog brengt een instrument in via uw plasbuis, een resectoscoop. Hiermee kan de prostaat worden bekeken. Via de resectoscoop is een metalen lisje in te brengen welke kan worden verhit. Zo kan er prostaatweefsel elektrisch, stukje voor stukje, weggesneden worden. Dit is vergelijkbaar met het uithollen van een appel met een appelboor. De wand (het kapsel) van de prostaat blijft aanwezig. Alleen het weefsel dat de plasbuis dichtdrukt wordt weggehaald. Dit noemt men 'reseceren'. Met de spoelvloeistof, die door de resectoscoop de blaas invloeit, worden de weggesneden stukjes afgevoerd. Er is alleen een inwendige wond. Eventuele bloedvaatjes kunnen met het lisje dichtgebrand worden. Na de operatie wordt een blaaskatheter ingebracht met daaraan een spoelsysteem. Het spoelen van de blaas vermindert de kans op een bloeding na de operatie en de kans op stolsels. Deze ingreep wordt TURP (Trans Urethrale Resectie van de Prostaat) genoemd. 'Trans urethraal' betekent dat de operatie via de plasbuis (urethra) wordt uitgevoerd. Resectie wil zeggen dat het teveel aan prostaatweefsel wordt weggehaald.

De andere soort operatie is een open prostatectomie, waarbij via een snede in de onderbuik de prostaatvergroting wordt weggehaald. Bij de operatie (prostaatoperatie volgens Hryntchak of Millin), pelt de uroloog via een snede onder in de buikwand en de prostaat of de blaas de prostaatvergroting met de wijsvinger uit. Ook via deze weg blijft de wand van de prostaat aanwezig. Ook hier wordt na de operatie een blaascatheter ingebracht. De keuze voor het soort operatie is vooral afhankelijk van de grootte van de prostaat. Bij grote prostaten wordt meestal voor een open operatie gekozen.

De katheter blijft na de TURP meestal enkele dagen zitten. Als de urine weer helder van kleur is zal de katheter worden verwijderd. Dit gebeurt na de open prostatectomie na ongeveer 5-7 dagen. Na de operatie kunt u, meestal tijdelijk, problemen ervaren met plassen en kan het voorkomen dat u de plas soms moeilijker op kan houden. Na de operatie kan er een bloeding optreden vanuit de prostaat, met mogelijk bloedverlies en stolselvorming tot gevolg. Meestal stopt zo'n bloeding spontaan door het spoelen via de katheter. Soms is het nodig het bloedvaatje 'dicht te schroeien'. Er kan een urineweginfectie en/of een bijbalontsteking optreden die gepaard gaat met koorts. Meestal is zo'n infectie goed met antibiotica te behandelen. Het kan enige tijd duren voordat het ophouden van de plas weer perfect lukt. Dit omt doordat de sluitspier tijd nodig heeft om aan de krachtige straal urine te wennen. Na een prostaatoperatie komt bij een orgasme het sperma in de blaas terecht. Het sperma gaat als het ware de verkeerde kant op doordat het afsluitmechanisme, dat dit normaliter verhindert, bij de prostaatoperatie meestal 'sneuvelt'. Er is dan sprake van een 'droge' zaadlozing. Erectiestoornissen treden na de ingreep normaliter niet op. et is mogelijk dat na langere tijd een vernauwing van de plasbuis ontstaat. Dit komt door de vorming van littekenweefsel. Soms is dan een nieuwe operatieve ingreep noodzakelijk.Het verwijderde prostaatweefsel wordt onderzocht op afwijkingen, zoals kanker, door de patholoog. De uitslag van het weefselonderzoek krijgt u - zo mogelijk - nog tijdens uw opname. Is dit niet mogelijk, dan bespreekt de arts de uitslag met u op de polikliniek kort na uw ontslag.

Vervolg
Na een operatieve behandeling wordt u gecontroleerd op de polikliniek. Als de plasklachten zijn behandeld is verdere controle niet nodig. Omdat na een TUMT behandeling het effect soms pas na langere tijd optreed wordt u na een TUMT behandeling vaak langer gecontroleerd. Als u niet meer op controle hoeft te komen, maar u heeft toch weer klachten, dan kunt u met uw huisarts overleggen over een eventuele behandeling of een afspraak maken met uw uroloog voor verder onderzoek en behandeling.

<< Terug